Tijdens het laatste gesprek dat ik met Hans voerde, op donderdag 19 april, een schitterende lentedag met temperaturen van tegen de dertig graden, zei hij opeens: 'Herinner je je de boomgaard nog aan de Kleidijk in Rhoon? De appelboomgaard van Wout Barendregt? Als je daar in de bloesemtijd kwam, werd je aan alle kanten omringd door kleur. Waar je ook keek, was bloesem. Het was zo schitterend, alsof je midden in een nooit eindigend schilderij stond. De kleur was al even bijzonder: wit met wat roze erin.' Een vredige glimlach verscheen op Hans' gezicht. Ik dacht: het is hem toch gelukt om die ellendige oorlog uit zijn hoofd te bannen. Het eerste wat bij hem opkomt is een prachtig beeld uit zijn jeugd. De appelbloesem. Als op een schilderij van Van Gogh.
Hans was een jaar en vier maanden oud toen hij op de arm van zijn moeder het kamp inging. Het interneringskamp Kampili, veertig kilometer boven Makassar, op het eiland Celebes. Ik wil toch nog even zijn leeftijd benadrukken: één jaar en vier maanden. Hij stond nog amper, hij liep nog amper. De eerste echte stappen die hij in zijn leven zette, zette hij in het Jappenkamp. Hij zou er tot september 1945 blijven, achter het prikkel-draad. Hans was bijna vijf jaar oud toen hij het kamp verliet. Direct daarop belandde hij in een volgende oorlog, een burgeroorlog, eufemistisch aangeduid met Politionele Acties. Hans en broer Bert konden niet naar school, kregen alleen wat huisonderwijs, en mochten niet eens de straat oversteken, vanwege het gevaar van sluipschutters. Hans kwam eind 1947 in Nederland aan, dik zeven jaar oud. Op zijn achtste jaar begon dan eindelijk voor hem iets dat vrede heette.
Zijn hele verdere leven heeft Hans die oorlog uit zijn geheugen willen bannen. Hij heeft daar verschillende patronen voor ontwikkeld. Het allereerste was dat hij Nederland omarmde. O, vergist u zich niet, als ik aan mijn grote broer Hans denk – we schelen negen jaar, zie ik geen gekwelde jongen voor me. Integendeel, hij was altijd vrolijk, maakte over alles en iedereen grappen, hij had wat je noemt: een gulle lach, eeuwig pretoogjes die geamuseerd de wereld inkeken. De maaltijden in de pastorie verliepen geanimeerd, en zelden devoot, hoewel onze vader dominee was, predikant van de Nederlands Hervormde Kerk. Hans lachte om de zogenaamde vroomheid en de hypocrisie van veel gelovigen, daagde mijn vader uit, die, eerlijk is eerlijk, niet te beroerd was om de degens te kruisen.
Hans was sportief, de winters in de jaren vijftig en zestig waren koud, hij schaatste, was snel op de Noren, maar zwierde ook graag met de meisjes uit het dorp op de kunstschaatsen, en al die meisjes waren verliefd op hem. Kwam ook door zijn donkerblonde kuif, zijn jack en zijn afgetrapte basketbalschoenen. Hij had, zeiden de meisjes, iets van James Dean. Hij tenniste, zwom, en had een gezonde hekel aan groepssporten zoals voetbal en vooral korfbal, de enige sport die wij protestanten fanatiek beoefenden. Ik deelde al die voor- en afkeuren, want Hans was onmiskenbaar mijn voorbeeld. Ik kon hem soms wat minder volgen als het om zijn voorliefde ging voor alles wat Hollands was. Ik, als enige in het gezin die niet in de tropen had gewoond, ik droomde juist van verre landen. Hij niet, hij at het liefst boerenkool met worst, of erwtensoep. Het enige waarin hij nog Indisch was, was zijn boterham die hij eerst met een dikke laag pindakaas besmeerde en die hij vervolgens met schijfjes banaan belegde. Dat deden ze in Makassar ook, zei hij. En ja, ik geloofde hem onvoorwaardelijk.
Met dat omarmen van Nederland verdreef hij de Indische kampjaren. Maar dat zag ik toen natuurlijk nog niet. Hij deed ook andere dingen die opvallend waren. Hij las als bezetene, en meteen al stevige kost. Ik heb onlangs een boek over Dostojevski gepubliceerd, vele exegeten vermoeden dat ik mijn voeling met Dostojevski van mijn vader heb geërfd, inderdaad stond in mijn vaders boekenkast een Duitse uitgave van Schuld en Boete, Schuld und Söhne, en ook een uitgave van Aantekeningen uit het dodenhuis en De gebroeders Karamazov, maar de echte Dostojevski-lezer was Hans, die had toen al alle delen Dostojevski uit de Russische Bibliotheek in zijn boekenkast staan. Ik begrijp nu ook wel waarom; het was de grote wens van mijn vader dat Hans theologie zou gaan studeren, een dominee behoorde een dominee voort te brengen, en Hans dacht dat Dostojevski het mysterie van het geloof kon ontrafelen. Dat doet hij inderdaad, maar even vaak scheurt hij dat mysterie aan stukken, en Hans wist algauw zeker dat de theologie hem gestolen zou kunnen worden.
Het voornemen om geschiedenis te gaan studeren, kreeg vaste vorm toen hij zo rond zijn twintigste drie maanden door Griekenland reisde. In een tijd dat alleen avonturiers naar Griekenland gingen, het massatoerisme moest nog op gang komen. De klassieke oudheid kwam vele malen sterker bij Hans naar binnen dan op het gymnasium. Hij was razend enthousiast toen hij bruinverbrand – en met een ringbaard – terugkwam, ik herinner het me niet alleen als de dag van gisteren, ik hoor hem: hij was bevlogen. En ook daarin werd hij weer mijn voorbeeld: bevlogen raken door een reis, een land, een cultuur, een reusachtig stuk geschiedenis.
In Leiden begonnen de beste en de mooiste jaren uit zijn leven. Hij leerde er al vrij gauw José kennen en het was ook al vrij snel duidelijk dat hij nooit en te nimmer bij José weg zou gaan. Hans hield van sterke vrouwen. Voelde zowel ontzag als verbondenheid met vrouwen die karakter hadden. Intelligente, of meer nog, scherpzinnige vrouwen die hun meningen en opvattingen niet onder stoelen of banken staken. Onafhankelijke vrouwen. En ja, dat alles verenigde zich in José tot in het kwadraat. José had een grote kamer op de hoek bij het Rapenburg, aan het Galgenwater. Ik zie haar daar nog, samen met Hans, ik was ondertussen een jongen van vijftien, zestien, ik ging bij mijn grote broer op bezoek, en hij had een vriendin, een lange spriet, met kort jongensachtig haar, die door de kamer liep als ze praatte, af en toe een trekje nemend van haar Caballero zonder filter, een vrouw naar het leek uit de Bloomsbury Group, heel cool, een vrouw die biochemie studeerde, en welke vrouw deed dat in die tijd? De liefde, de intellectuele band en de verstandhouding tussen Hans en José waren meteen bijzonder. Overdrijf ik? Het eerste wat José me zei toen ik met Marie-Claude in het ziekenhuis kwam en de toestand waarin Hans verkeerde vrijwel hopeloos leek, was: 'We hebben 54 gelukkige en prachtige jaren gehad samen. Daar trek ik me aan op'.
Na zijn kandidaats koos Hans voor de middeleeuwen als specialisatie. Niet voor de contemporaine geschiedenis en zelfs niet voor de Gouden Eeuw, want die had nog te veel met de Oost te maken. Hij promoveerde op, en ook dat was tekenend, een nauwelijks grondig bestudeerd deel van onze vaderlandse geschiedenis: de Hoekse en Kabeljauwse Twisten. Dus op de enige burgeroorlog uit onze geschiedenis. Hans koos niet voor verhaaltjes, nee, hij wilde precies weten hoe een politiek en militair conflict, hoe een oorlog, ontstond, en hij dook in de archieven. De strijd werd gestreden door huurlegers en op grond van jaarrekeningen van de Hollandse en Zeeuwse graven reconstrueerde hij de oorlog. Hij specialiseerde zich in archiefonderzoek en volgde een opleiding tot archivaris, die hij afsloot met een een studie aan de Ecole des Chartes in Parijs. Hij verbleef drie maanden in het Institut Néerlandais aan de Rue de Grenelle, hij logeerde op de zolderverdieping, en natuurlijk zocht ik hem daar weer op. Hij genoot van het systematische en puur wetenschappelijke geschiedenisonderzoek zoals dat in Parijs werd onderwezen, geheel in de traditie van de Ecole des Annales, hij haalde steeds weer Fernand Braudel en Jacques Le Goff aan, de roergangers van de tweede generatie van de Ecole des Annales, die naar de grote samenhangen in de geschiedenis zochten en met hulp van andere wetenschappen, van economie, antropologie of kunstgeschiedenis, tot een mentaliteitsgeschiedenis probeerden te komen. Dus niet alleen: wat deden mensen in de middeleeuwen maar bovenal: hoe dachten ze en wat was hun wereldbeeld van waaruit ze handelden. Die aanpak sloot naadloos aan bij de benadering van Hans' grootste voorbeeld in de geschiedschrijving, bij Johan Huizinga, door wiens Herfsttij der Middeleeuwen Hans als specialisatie de middeleeuwen had gekozen.
Hij werd archivaris, eerst in 's Hertogenbosch, toen in Den Haag en later rijksarchivaris van de provincie Zuid-Holland en vervolgens rijksarchivaris van de provincie Noord-Holland. Het archief in Haarlem had als bijzonderheid dat de Nederlandse wetenschapsarchieven erin opgenomen waren. Hans hield lange pleidooien om de archieven van grote wetenschappers als Lorentz, Kamerlingh Onnes, Zeeman, Slater, Huizinga intact te houden en niet te versnipperen over talloze instituten en musea. Maar stuitte vaak op bureaucratische onwil. Hij zette een historische reeks boeken op, de Hollandse Historische Reeks, waaruit tientallen monografieën zouden voortvloeien die hij als hoofdredacteur begeleidde. Hij zorgde er tevens voor dat alle vrienden en familieleden inschreven op de reeks, zodat in onze boekenkast nog altijd werken prijken met prachtige titels als: Benauwde verdraagzaamheid, hachelijk fatsoen: Families, standen en kerken te Hoorn in het midden van de negentiende eeuw.
Hans en José betrokken een groot wit huis in Bentveld en legden daar de basis voor hun kunstcollectie. Om die structuur te geven begonnen ze een gallery die in het jaar 2000 mee verhuisde naar Liempde. Kunst verzamelen, een collectie vormgeven, de verzamelde kunst rubriceren en wetenschappelijk beschrijven, werd Hans en José's gezamenlijk beleefde passie. De woorden 'met pensioen gaan' verdwenen uit hun vocabulaire, ze organiseerden tentoonstellingen, zochten kunstenaars op in hun atelier in Nederland, Duitsland, Verenigde Staten van Amerika en Zwitserland, deden aankopen en sloegen geen kunstbeurs in Basel over.
Kunst – en met name hedendaagse, abstracte kunst – bande de oorlog voorgoed uit het geheugen van Hans. Kunst verzoende hem met al het schitterende en al het diepzinnige van het leven, kunst maakte hem gretig naar nieuwe opvattingen en nieuwe inzichten. Hij werd ouder, maar haalde Solon aan: 'Ik word ouder terwijl ik nog steeds lerende ben.' Samen met José bezocht hij week in week uit musea in Nederland en Duitsland en ze raakten steeds meer onder de indruk van de grondige aanpak van de Duitse kunsthistorici. Hans zag het dan ook als een kroon op decennialang verzamelen dat een substantieel deel van de collectie in Museum Weserburg in Bremen ondergebracht kon worden. 'Dat is het goede nieuws dat ik je melden kan,' zei hij tijdens ons laatste gesprek. 'Het slechte is dat ik niet meer genezen zal. Maar ik ben ontzettend blij dat de hele collectie herman de vries daar bewaard blijft.'
Kunst gaf Hans' leven zin en richting. Kunst scherpte zijn blik en gaf hem inzicht in alles wat goed maar ook verschrikkelijk fout kon gaan in de geschiedenis. Kunst deed hem op een zinnige wijze genieten van het leven. Een leven dat uiteindelijk een grote overwinning is geworden op de oorlog waarmee zijn jeugd begon.
Jan Brokken
1 mei 2018
home |
hans brokken (1940-2018) |
de stichting |
beleidsplan 2018-2023 |
jaarverslagen en jaarrekeningen |
de collectie |
podcast |
publicaties |
tentoonstellingen |
Brokken Zijp Stichting voor moderne en hedendaagse kunst
Veerse Meer 19
5032 TV Tilburg
e-mail : brokkenbfa@home.nl
URL : brokken-zijp-foundation.org
KvK : 52697932
De Stichting is opgericht op 29 maart 2011 en heeft de ANBI-status